do 04.09.25
State of the Future — Jozef Wouters

Op 3 september 2025 sprak scenograaf en theatermaker Jozef Wouters de State of the Future uit tijdens de openingsceremonie van het TheaterFestival. Je kan de volledige tekst hier (her)lezen.
Door Jozef Wouters
Pleidooi van een heremietkreeft
Goedenavond, dank voor de uitnodiging. Het is een eer om te mogen spreken op een samenkomst van een deel van de Vlaamse podiumkunstensector.
Omdat het hier een state of the future betreft, en ik tegenwoordig toch mijn twijfel heb bij de toekomst als denkruimte waarin we vrij zouden zijn, wil ik graag beginnen met een brief uit 1984, geschreven door wijlen Nand Buyl. In de jaren tachtig was hij, naast theaterregisseur, ook directeur van de KVS en het is in die hoedanigheid dat hij zich richtte tot de burgemeester van Brussel. In zijn brief klaagt hij over de ‘mensonterende omstandigheden’ waarin zijn ploeg moet werken, over gebrek aan ruimte en, vooral, over het feit dat zijn decoratelier drie straten van zijn theater verwijderd is, met torenhoge transportkosten tot gevolg. Zo kunnen wij geen theater maken, schrijft hij, en hij sluit af, niet met zijn naam of een groet maar met HELP (in hoofdletters). Vandaag, veertig jaar later, treed ik hem bij. Mijn brief richt ik echter niet aan een burgemeester maar aan onszelf, de podiumkunstensector. Want hoe ver ligt het decoratelier ondertussen van het theater? Kunnen wij zo nog theater maken?
Wat is de afstand vandaag, in onze verschillende organisaties en praktijken, tussen de ruimte waar getoond wordt en de ruimte waar gemaakt wordt? Tussen de ruimte waar lichamen samenkomen en kijken en bewegen en de ruimte waar materialen -hout, ijzer, doek- worden bewerkt. Tussen de ruimtes op kamertemperatuur en de ruimtes waar verf op de grond mag druipen? Ik vraag het omdat het dringend is. Voor mij. Ik meen te behoren tot een generatie, of misschien eerder een beweging van makers die niet enkel werk willen maken maar ook de manier waarop het werk gemaakt wordt. Hoe we maken bepaalt wat we maken. Die twee zijn onlosmakelijk verbonden. En daarom herhaal ik mijn vraag aan jullie, aan ons: Hoe groot is vandaag de afstand tussen ons decoratelier en ons theater?
In het geval van de KVS is dat intussen 9 kilometer. Hun decoratelier ligt in Machelen. Ik kwam daar tien jaar geleden achter, toen ik er als jonge maker begon te werken. 9 kilometer. Drie kwartier met de bus. Mijn eerste dag in de KVS was dus echt een schok. Als een danser die de studio binnenloopt en ontdekt dat er geen vloer is. Tot daarvoor had ik mogen werken bij fABULEUS, Scheld’apen (nu Het Bos). Kleine organisaties. Zij hadden weinig budget maar wel de vrijheid die ik zocht. In de KVS was die niet meteen te vinden. Dus de eerste keer dat ik een arbeidscontract had en het werk echt ‘mijn werk’ kon noemen… kon ik niets maken. Makers moeten kunnen maken. Maar hoe doe je dat in een stadstheater waar de repetitieruimte 9 kilometer verwijderd is van de bouwruimte? Hoe moet ik daar samenwerken met Menno Vandevelde, de technisch leider waar ik intussen twintig jaar mee werk. Waar moet die bouwen? In Machelen? En moet ik dan zonder hem, zonder decor repeteren in Brussel? Hoe weet Menno wat hij moet bouwen en hoe weet ik wat ik moet vertellen wanneer we negen kilometer van elkaar verwijderd zijn?
Om die reden hebben we tien jaar geleden Decoratelier opgericht in de KVS. Omdat we het nodig hadden. Hun decoratelier was te ver, dus maakten we er een nieuw. Eerst gewoon in ons hoofd, als fictieve, mentale ruimte, maar we hadden wel een bureautje in het rekwisietenkot op de tweede verdieping van de toneeltoren. En een bel, beneden, aan een kleine branddeur die rechtstreeks uitgaf op het plein achter het theater, waar bezoekers bij ‘Decoratelier’ konden aanbellen. Zo waren we deel van het instituut. Uiteraard was dat kotje snel te klein maar gelukkig vonden we de sleutels van een leegstaande kartonfabriek enkele straten verder waar we onze decors konden bouwen, een zomer lang, terwijl het echte Decoratelier van de KVS met vakantie was.
Maar ons Decoratelier was geen tegenbeweging, geen bezetting, geen actie-tomaat. Gewoon de ontdubbeling van een bestaand departement binnen een bestaand instituut. Een tweede decoratelier, dichterbij dan het eerste. Decoratelier was een fictie, maar wel een oprechte poging om mee te werken aan een instituut, ons werk ermee te vervlechten en deel van het weefsel te worden en, je weet nooit, het van binnenuit te veranderen. En natuurlijk vonden we het niet erg dat er daardoor verwarring ontstond, dat mensen bij ons aanbelden die eigenlijk in Machelen moesten zijn en dat er plots gevraagd werd welk decoratelier iemand bedoelde: het echte in Machelen of dat van Jozef en Menno in het rekwisietenkot boven?
***
Een vraag aan iedereen hier. Waar is jullie decoratelier? Waar in jullie organisaties, jullie huizen, jullie instellingen, is de plek waar dingen gemaakt worden. Met de handen, die materialen bewerken? Waar worden de ideeën concreet gemaakt? Hoe toegankelijk is de ruimte? Wie werkt er? Hoe divers is de groep? Wie leert er van wie? Wordt er gemansplaind? Hoe worden stagiaires begeleid en kunnen ze doorgroeien in de werking? Hoe worden gasten ontvangen?
Omdat het Decoratelier van Menno en ik inmiddels tien jaar bestaat, durf ik het hier te beweren: jullie decorateliers zijn in jullie huizen de plek met het meeste potentieel. Het decoratelier is potentieel jullie beste ruimte om verder uit te bouwen. Tot ontmoetingsplek, tot school, tot repetitieruimte, tot onthaal. Het is bevrijdend om een publiek gebouw binnen te wandelen en iemand te zien die aan het werken is, maar niet op een computer. Het is in jullie decorateliers dat er met de handen gedacht kan worden. Het is de plek waar het denken vorm krijgt en waar laptops dicht moeten omwille van het zaagsel.
***
Decoratelier is eigenlijk maar een van de vele fictieve instituten die ik heb opgericht. Ik had bijvoorbeeld ook nog een fictief architectuurbureau in een sociale woonwijk en een zoölogisch instituut. En ik was niet alleen. Veel van mijn generatiegenoten richtten fictieve instituten op. Het zijn concrete voorstellen van hoe het anders zou kunnen. Een vorm van opbouwende kritiek. Ik blijf het spannend vinden, ook nu nog. Telkens wanneer iemand een nieuwe school uitvindt of een politiek partij of een Duits Staatstheater opricht. Telkens ben ik benieuwd. Maar ik vraag me ook af: waar gaan al die fictieve instituten naartoe? Zijn ze een tijdelijke fictie? Niet bedoeld om lang te blijven? Zijn ze niet langer nodig dan de duur van een project? Geraken de oprichters het beu? Of vinden ze geen ruimte en steun, geen plek om verder te doen, geen ruimte om hun fictieve instituten verder te zetten dan enkel de eerste stap? Of zijn ze iets anders gaan doen? Zijn ze hun ficties gevolgd en maken ze daardoor niet langer kunst zoals we dat kennen? Wat doet de kunstensector met de makers die van het pad afwijken en ons idee van wat kunst is in vraag stellen?
****
Van al mijn fictieve instituten is Decoratelier het enige dat vandaag nog bestaat. Intussen is het – denk ik – wel niet meer fictief. Vorige week hadden we een teammeeting waarop we de lengte van de middagpauzes afspraken. 45 minuten blijkbaar. Nee… ik denk niet dat we het nog een “fictional institution” kunnen noemen.
Maar dat Decoratelier is kunnen uitgroeien van een verzinsel tot een echte ruimte met een eigen verzekering en een eigen elektriciteitsmeter is het gevolg van heel veel steun die we kregen van organisaties, grote en kleine, en heel veel medewerkers die we konden betalen dankzij subsidies en coproducties. Het plezier van een instituut te verzinnen en het langzaam echt te zien worden: ik wens het iedereen toe. Het plezier, maar ook de moeilijkheid. De complexiteit die ontstaat wanneer de ruimte die je maakt groter wordt dan wat je voor jezelf nodig hebt. En de vragen. Wie mag er residentie doen en wie niet? Wie kuist welke ruimte? Wie krijgt welke sleutel? Wie mag waar parkeren? Wie mag er niet meer binnen? En wie mag dat beslissen? Die moeilijkheid wens ik iedereen toe. Het is heerlijk om niet te moeten klagen over het instituut, want het instituut dat ben je zelf. Zelf moeten kiezen of je een verwarming legt of een warme trui aandoet. Fictieve instituten echt zien worden herinnert ons eraan dat echte instituten ook maar gewoon een fictie zijn. Pas toen Decoratelier een echte ruimte werd kwamen we de obstakels tegen die ik ken van bij andere instituten. We zijn nu tien jaar bezig en ik begin het te beseffen: het is echt niet zo eenvoudig om niet vast te roesten, om relevant te blijven. Langer dan tien jaar… niet gemakkelijk. Respect voor alle organisaties die daar in slagen.
***
Wat ons voorlopig helpt is verhuizen. We zijn net verhuisd naar onze vierde plek in tien jaar. Vier oude fabrieken, elk totaal verschillend, maar telkens opnieuw meesterlijk ingericht door Menno en beheerd door Barry Ahmad Talib en Zohir Boumelha. Elke verhuis begint steeds min of meer op dezelfde manier: we lopen samen rond in de stoffige lege ruimtes en we lezen de nieuwe plek, elk op onze manier. Er zijn intussen enkele vragen die ons daarbij helpen: Wat is er al? Wie is er al? Wat kunnen we hier doen dat we nergens anders kunnen? Zo begint het altijd en toch bouwen we altijd een andere plek. Met andere functies. Een fabriek met dikke bakstenen muren en geen buren werd, ook omwille van de pandemie, een soort openlucht kunstencentrum met een experimentele nachtclub. En nu, ons huidige gebouw, enfin gebouw, de muren en de daken zijn zo dun en de buren wonen zo dichtbij dat je het bijna geen gebouw kunt noemen… wel dat een soort leeromgeving aan het worden. En ook een buurtrestaurant. En een centrum voor bodemonderzoek. Omdat de bodem zwaar vervuild is leek ons dat een goed idee. De plek, haar geschiedenis, de hoogte van het dak, de seizoenen, de buren en de gesprekken die er plaatsvinden. Samen vormen ze de plek.
Het gebouw verandert daarbij trouwens weinig. Het gebouw zoals we het aantreffen is meestal goed genoeg. Dat valt toch echt op: dat er in elke stad organisaties zijn die van zowat elk leegstaand pand iets kunnen maken en dat er anderen zijn wiens gebouw om de twintig jaar gerenoveerd moet worden. Wat verwachten zij van de architectuur dat ze zelf niet kunnen? Waarom moet hun gebouw zich aanpassen en niet hun werking? Kan het instituut niet voortkomen uit de plek waar het plaatsvindt? En kan het werk daar een gevolg van zijn? Dat is althans mijn hoop: dat mijn verlangens als kunstenaar niet enkel uit mezelf komen maar dat ze een gevolg zijn van de omstandigheden, dat die ook iets willen en dat die verlangens mijn werk gaan vormen. Dat een fictie het gevolg is van de buurt, en – soms, als je het lang genoeg volhoudt – ook omgekeerd. Dat de buurt, die het instituut vormt, mee verandert en daardoor ook de stad verandert die het instituut verandert enzovoort. En de bouwers, hun talent, hun machines en het recuperatiehout waarmee ze bouwen zijn bij ons dan de begeleiders van dit proces.
***
Rebekka De Wit schrijft:
We hebben geen voorstellingsvermogen nodig om de wereld te redden. We hebben wereld nodig om ons voorstellingsvermogen te redden.
***
Ik droom van een kunstensector die er van uitpuilt: ruimtes van al die makers die niet enkel werk willen maken maar ook de manier waarop het werk gemaakt wordt. Al die makers die hun artistiek voorstel breder denken dan wat er op scène gebeurt.
Makers die weten dat wat je maakt een gevolg is van hoe je het maakt. Dat de begroting deel is van de verbeelding en de verbeelding deel van de wereld en dat je excel-bestand dus het vermogen heeft om de wereld te veranderen. Ik spreek over de makers die begrijpen dat als je een voorstelling maakt die een aanklacht tegen het kapitalisme en de ratrace van het leven is, en je techniekers en productieleiders tijdens het creatieproces een voor een uitvallen met een burnout, dat je voorstelling dan niets betekent. Makers die hun ecologisch manifest uiteraard niet in Australië gaan spelen. Makers die toneelstukken maken over de gruwel van de oorlog en dus Israëls genocide in Gaza aanklagen, ook wanneer ze voor een Duitstalig festival werken. Het zijn makers die projecten bedenken waarin de productieleider cruciaal is en die dus weten dat ze heel goed moeten zorgen voor die productieleider. Het zijn makers die beseffen dat een gezonde technische ploeg belangrijker is dan een premièredatum in Avignon. Het zijn makers, kortom, die de oude fabel van het eenzame genie al lang vergeten zijn en weten dat hun werk maar zo goed is als de groep en de ruimte die ze er rond bouwen.
Worldmaking. Misschien is dat een goede naam. Het is een voorstel, misschien niet meteen als hokje om aan te klikken bij een subsidieaanvraag, maar wie weet helpt het als het een naam heeft. Misschien helpt het ons, om het naar waarde te schatten?
***
Hoe kunnen we er nu voor zorgen dat meer makers de kans krijgen om hun praktijk ruimte te laten worden? Om hun fictieve instituten in het echt uit te testen? Om te genieten van de moeilijkheden die dat met zich meebrengt?
***
Wat zou er gebeuren als we een cultuurbeleid zouden bedenken dat deze beweging van makers naar waarde schat en ondersteunt? In het verleden is al gebleken dat het mogelijk is, dat er een nieuwe beweging ontstaat, enkele vernieuwende choreografen die geweldig spannend werk maken en daarmee een impuls geven die het kunstenveld hervormt en herschikt. Dat er dan nieuwe categorieën ontstaan en nieuwe subsidievormen. En zelfs een heel eigen infrastructuur: nieuwe kunstencentra met nieuwe zalen zonder voorscène en met bredere toneelopening omdat de nieuwe beweging die nodig had. Prachtig toch, hoe de architectuur zich vormt rond een beweging die klein begon, in enkele lichamen die anders zijn beginnen bewegen!
Welke andere vormen kunnen we zo nog bedenken? Als we nu eens een andere beweging als uitgangspunt nemen, welke kunstensector krijgen we dan? Worldmaking, welke ruimtes maken we voor die praktijk beschikbaar?
Kunnen we ons bijvoorbeeld inbeelden dat ruimte, een gebouw, aan een organisatie gegeven wordt als een vorm van tijdelijke steun en niet als een eeuwigdurende concessie? Nu lijkt het soms zo dat organisaties in stand gehouden moeten worden omdat ze verbonden zijn aan een belangrijk gebouw. Kan daar niet meer mobiliteit ontstaan? Als we de praktijk van worldmaking willen laten groeien is er echt wel meer beweging nodig in het vastgoed zodat er ruimtes vrijkomen waar die organisaties tijdelijk een plek kunnen vinden. Zoals een heremietkreeft in een landschap rond kan lopen met allerlei soorten schelpen die tijdelijk gebruikt kunnen worden. Dat moet toch kunnen?
Richt jullie huizen zo in dat je de sleutels uit handen kunt geven. Of, misschien belangrijker: richt jullie organigram zo in dat je de sleutels uit handen kunt geven. Geef verantwoordelijkheid uit handen. Bouw een huis zonder vaste huisstijl, een plek waar kunstenaars zelf kunnen bepalen hoe er gecommuniceerd wordt, hoe er onthaald wordt, wie er hoeveel moet betalen om binnen te mogen en wie er aan de deur staat. Kies voor kunstenaars die hier goed in zijn. Kies voor artiesten die hun praktijk breder zien. Makers die zelf hun dansvloer bouwen en kuisen omdat ze weten dat dat deel is van het dansen. Makers die zorgen voor hun groep medewerkers. Investeer in de hele groep. Volg hun werk en laat het je werking hervormen. Volg het werk, en als het soms niet meer op kunst lijkt, blijf het kunst noemen.
Koppel het cultuurbeleid aan het leegstandsbeleid. Maar niet om er enkel kunstenaarsateliers van te maken. Op dit moment is er in Brussel 6,5 miljoen m2 leegstand. En 10.000 mensen leven op straat. Eigenlijk is dat niet goed te praten. De kennis om iets met die leegstand te doen is nochtans voorhanden. Organisaties zoals Toestand tonen niet alleen in hun dagelijkse praktijk hoe het kan, ze schrijven er ook handleidingen over. Lees die. Maak leegstaande panden beschikbaar. Maar niet alleen voor kunst zoals we die kennen. We moeten onze notie van wat kunst en cultuur is radicaal veranderen en openstellen voor organisaties en praktijken die heel andere dingen met die vrije ruimte gaan doen dan wat we gewend zijn. Ik ken alvast enkele kunstenaars, activisten, collectieven en personen die prachtige sociale woningmaatschappijen gaan oprichten. Fictieve rusthuizen, scholen, nieuwe vakbonden, een nieuw Sint-Katelijneplein dat nog niet verkocht is aan de horeca. Als de minister spreekt over cross sectorale samenwerking dan is dit volgens mij de beste weg. Niet met samenwerkingsakkoorden tussen instituten maar via de makers. De worldmakers. Maar dan is er wel nood aan visie en aan een beleid, geschreven door mensen die de kennis en ervaring hebben en die het talent ook buiten de grenzen van de vertrouwde cultuurwereld gaat zoeken.
***
Laat dat het talent zijn dat we ontwikkelen. Laat dat het potentieel zijn waar we naar zoeken in plaats van te blijven hopen op nieuwe regisseurs die de grote zaal gaan vullen. Als een jong talent opmerkelijk werk maakt, vraag dan niet meteen naar nieuw werk maar vraag naar hun manier van werken. Produceer niet enkel hun werk maar ook hun praktijk. Ondersteun de hele groep die het werk maakt. Produceer de manier van werken en sta toe dat die de jouwe verandert. In plaats van met zijn allen te jagen op dezelfde profielen, en dan eindejaarslijstjes op te stellen van wie ons dit jaar het meest ontgoocheld heeft, laat ons die makers vroeg genoeg vragen om een ruimte te worden die groter is dan ze voor zichzelf nodig hebben.
Laat ons vertrekken van de tendensen die eigen zijn aan deze tijd. Als de kunstensector een plek van verbeelding is, laat de kunstenaar dan de gids zijn, ook als hun werk zich buiten het vertrouwde veld verplaatst. Laat hen fictieve organisaties verzinnen en uitproberen, lang voordat ze hun eerste structurele dossier gaan schrijven. Laat hen die nieuwe ruimtes verbeelden en uittesten in jullie gebouwen, in jullie decorateliers en in de lege ruimtes die onze steden rijk zijn. Plaats jullie decorateliers centraal, zet er jullie beste mensen aan het werk en maak van jullie huizen broedplekken voor andere werelden, andere manieren van werken. En, alsjeblieft, blijf het kunst noemen, ook als het soms meer op iets anders lijkt, en daardoor niet meer in jullie huisstijl en in jullie tourschema past, noem het gewoon kunst, want dat is exact wat het is.