vr 12.09.25
Geef theater haar collectieve karakter terug/Een echt inclusief theater is collectief
Redacteur Anna Claes houdt een meerstemmig pleidooi voor een collectieve beleving van theater.
Door Anna Claes

¶
Dat ik mij aanmeldde om lid te worden van de TheaterFestival-redactie, beschouw ik eerder als een gevolg van mijn ervaring in de journalistiek dan van mijn voeling met het cultuur- en theaterlandschap. Nochtans ben ik opgegroeid met een significante culturele bagage. Mijn ouders namen me regelmatig mee naar theater- en cultuurhuizen, cinema’s en musea. Ook in mijn vrije tijd hield ik mij als creatief kind en jongere bezig met kunst en cultuur. Ik lees veel, zing graag, en knutsel als amateur-bricoleur graag teksten en andere dingen in elkaar.
Dat is sindsdien niet veranderd. Toch blijft theater een van de kunstvormen waar ik mij het minst mee verbonden voel. Opvallend, want het leent zich in haar directe aanwezigheid net zeer goed tot connectie met toeschouwers. Misschien reageer ik net daarom op de oproep voor redacteurs voor het festival: om door middel van journalistiek vertrouwd te raken met een kunstvorm die mij nog niet eigen is.
De eerste dag van het festival was een reality check. Op de grote openingsavond voel ik me een vreemde eend in de bijt. Er heerst een familiaire sfeer, en ik krijg het gevoel dat heel wat belangrijke figuren uit de theaterwereld present tekenen. De meesten lijken elkaar via-via te kennen, en ik voel dat ik de rol opneem van observator in plaats van gast.
De schoonheid van de redactie is dat we het festival als groep beleven
Maar ook binnen de redactie voel ik mij initieel een buitenstaander. Al snel valt op dat de meerderheid van de redactieleden goed vertrouwd is met de cultuur- en theatersector. Ik bevind me tussen (ex-)studenten drama en theaterwetenschappen, dramaturgen en kunstenaars. Ze hebben een creatief brein en lijken makkelijker te kunnen omgaan met het grote niveau van vrijheid die we van onze coördinatoren krijgen. Meteen geïnspireerd gaan ze naarstig aan de slag met hun ideeën, terwijl ik blijf hangen in een ‘Help, wat nu?’-gevoel.
Maar de schoonheid van de redactie is dat we het festival als groep beleven. Wanneer ik overweldigd ben, luister ik naar de gesprekken van anderen. Of ga ik zelf in gesprek met mijn buur, die de avond voordien hetzelfde theaterstuk heeft gezien, en mij inspireert met een ander perspectief dan het mijne. Ik krijg tips en tricks van mijn coördinatoren en mede-redactieleden, met af en toe de nodige positieve bevestiging.
Maar bovenal krijgen we als redactie de tijd en ruimte om twee weken enkel met elkaar en met theater bezig te zijn. Voor even voelt het alsof Gent en haar theaterzalen van mij zijn, en ik loop overal vrij binnen en buiten. VIERNULVIER is mijn thuis- en uitvalsbasis geworden: we krijgen ons eigen lokaal, lekker eten, en goed gezelschap. Weinig moet, veel mag; er is ruimte om te vallen en opstaan, om te discussiëren en proberen.
“Door samen naar het theater te gaan, voel je je minder een vreemdeling.” – Erin
Voor een artikel over de toegankelijkheid van het festival sprak ik met Erin, een lid van de Gentse Wijkjury. Deze lokale jury, samengesteld uit een tiental diverse stadsbewoners, bezoekt het hele jaar door theatervoorstellingen en kiest daaruit hun favoriet. Ook Erin bezocht voor het project af en toe theaterstukken, maar voelde zich grotendeels buitenstaander in het theatercircuit. Ze had dan ook de nodige overtuiging nodig om zich bij de jury aan te sluiten. Uiteindelijk is het vriendin en Wijkjury-coördinator Rojda Gülüzar Karakuş die haar overhaalt om het project een kans te geven.
Wanneer ik haar vraag naar haar ervaring als lid van de Wijkjury, zegt ze:
“De Wijkjury heeft theater veel toegankelijker gemaakt voor mij. Door samen naar het theater te gaan, voel je je minder een vreemdeling. Voordat we naar het theater gingen, dronken we eerst iets met de groep op café. We leerden elkaar kennen. Die gedeelde ervaring maakte alles minder intimiderend.”
Er is een groot verschil tussen af en toe een theaterstuk bezoeken – zoals Erin en ik deden – en je écht deel voelen van de sector. Voor dat laatste hadden we allebei nood aan een gemeenschap die de drempel voor ons verlaagde. Mijn culturele bagage en rol als journalist maakten die overstap significant makkelijker, maar wat met mensen die geen voet binnen hebben?
Inclusief theater gaat niet enkel over toegankelijkheidsfiches of inclusiecharters, maar over de aanwezigheid van een uitnodigend en toegankelijk netwerk
Serge Vlerick, een van de dove acteurs in Meeuw, vertelt me dat hij dove mensen uit zijn directe omgeving moest overtuigen om naar de voorstelling te komen kijken. Opmerkelijk, want het stuk wordt bijna volledig in Vlaamse Gebarentaal gebracht, een echte primeur in de horende theatercultuur. Je zou verwachten dat de dovengemeenschap niet twijfelt om dat met eigen ogen te zien.
Maar uit Serges uitleg blijkt dat, door jaren aan gebrekkige inclusie, veel dove mensen zich niet thuis voelen in de horende theaterwereld, zelfs wanneer die radicaal inclusief is. “Veel dove mensen gaan niet vaak naar het theater, omdat het lang weinig toegankelijk was. Ik moest heel wat van hen overtuigen om te komen kijken, omdat ze geen idee hadden wat theater was, of het te abstract of te moeilijk vonden. Om dan te ondervinden dat dat niet klopte.”
Materiële vormen van inclusie, zoals een tolk Vlaamse Gebarentaal of ondertiteling tijdens de voorstelling, zijn soms niet genoeg om mensen te betrekken die weinig of niet vertrouwd zijn met theater. Inclusief theater gaat immers niet enkel over toegankelijkheidsfiches of inclusiecharters, maar over de aanwezigheid van een uitnodigend en toegankelijk netwerk.
Te vaak is theater een eenzame ervaring. We kopen tickets, kijken naar de voorstelling, en gaan na afloop naar huis.
Mario Barrantes Espinoza, maker van Flesh can’t can’t not’t ’tis flesh h… is zich goed bewust van het belang van gemeenschap om theater toegankelijker te maken. Voor en na de voorstelling organiseert hij een CULO SHAKING NIGHT, een feest met Latijns-Amerikaanse muziek en snacks. Op die manier trekt Barrantes Espinoza een publiek dat anders niet naar zijn stuk komt kijken, en creëert hij ruimte rond de voorstelling om in gesprek te gaan met elkaar over theater.
Te vaak is theater een eenzame ervaring. We kopen tickets, kijken naar de voorstelling, en gaan na afloop naar huis. Dat is enkel aantrekkelijk voor wie al met theater bezig is. We moeten opnieuw leren connectie maken buiten de vier muren van de theaterzaal met de toeschouwers in het publiek, de makers van het stuk en de theaterkunst in het algemeen. Mijn wens voor het TheaterFestival is dan ook om te blijven inzetten op initiatieven als de Wijkjury, de TheaterFestival-redactie en de nodige CULO SHAKING NIGHTS. Dat ze mogen blijven groeien en floreren, en aan het theater haar meest kenmerkende karakter teruggeven: het collectief.